Column Roy Boeve:

Er was eens een wedstrijd. Zelf deed ik niet mee, dus had ik mooi de tijd om te observeren, om te kijken wat anderen aan het doen waren. Gelukkig zat ik moederziel alleen, zodat mij de rust en de ruimte werd gegund om dit op een deugdelijke manier te doen.

Al turende naar de topsporters viel mij spontaan iemand op. Nou ja iemand? Eigenlijk was deze iemand de druppel, want terwijl ik aan het schrijven was kwam ik tot de conclusie dat ik lag te dobberen op een vlot midden in een zee van gelijksoortige iemand. Ik pakte mijn pen en begon te schrijven wat deze persoon mij liet aanschouwen.

Zelfverzekerd, assertief, gedecideerd en misschien zelfs wel een vleugje arrogant. Eigenlijk gewoon als een ware blaaskaak staat hij langs de kant van de baan. Hij is aan het wachten op de komende gebeurtenis, een belangrijke gebeurtenis, een voor hem bekende gebeurtenis. Straks komt het moment dat hij zichzelf weer bloot moet geven, waarde moet geven aan zijn houding en gedrag. Zijn warming-up had hij afgerond, alle voorbereidingen had hij getroffen. Nu maakte hij gewillig tijd vrij voor de mensen, de toeschouwers, om zijn grote witte glimlach te showen, zijn prachtig doordachte praatjes te maken, voor een ieder maakte hij tijd.

Zie die ster daar eens staan, extrovert en flamboyant. In zijn hoofd had hij tijdens de warming-up de wedstrijden al vele malen gereden. Hij wist wat, hij wist waar, en hij wist hoe hij het ging doen. Hij had zijn ziel verkocht aan het middel, hij had willen in moeten omgezet, verlangen naar dwang. Het moest zijn moment van glorie worden, als een trotse pauw die zijn prachtige kleuren toont ging hij zijn act opvoeren. Zijn uitvoering geven aan de voor hem zo belangrijke gebeurtenis.

Daar stond de held in donkere dagen, de prins op het witte paard. Als een ware Achilles zou hij voorop deze Trojaanse oorlog strijden. Hij werd geprezen en gehaat door het auditorium, het volk smulde en verafschuwde zijn persoonlijkheid. Zijn zelfverzekerdheid, zijn opschepperige gedrag, ze vonden hem, net zoals als hij zelf vond, een showbink, braniemaker een ware windbuil. Telkens weer voelde hij de behoefde zijn ego tentoon te stellen aan een ieder die het wel of niet wilde aanschouwen. In werkelijkheid was deze grootheid, deze ster, deze parel wankel en zwak. Telkens weer moest hij rivaliseren met zijn eigen geschepte verwachtingspatroon. Telkens weer moest hij gewicht geven aan zijn houding, zijn omstreden gedrag. Telkens weer moest hij buiten zichzelf treden om hem en de zijnen tevreden te stellen.

Toch was hij in zekere zin gelukkig, zeer gelukkig. Hij genoot van ieder moment van adoratie, ieder moment van belangstelling. Hij werd die hij wou zijn, hij werd die men wou dat hij werd en hij werd wat hij wou dat men wou dat hij werd. En dus was hij gelukkig, zeer gelukkig.

Daar staat de gelukkige aan de start, gespannen, vol adrenaline en onzekerheid. Hij leidt het leven als zo velen, het leven van een geleefde, hij die zichzelf niet mag zijn maar toch zichzelf is.