Column Reeks Man op de Baan Geert Kuiper:

Een van de meest markante mannen die ooit op de baan is verschenen is Jan Ykema. In de jaren tachtig beleefde hij zijn glorietijd, die uiteindelijk eeuwige roem opleverde met een verrassende zilveren medaille op de 500m van de Olympische spelen van Calgary 1988.
Was die medaille verrassend? Veelal wordt verwezen naar de pikstart die hem het nodige voordeel opleverde. Zelfs in de door Menno Haanstra geschreven Jan Ykema biografie wordt er in de titel naar verwezen. Pikstart, verslaving en comeback van een hypersprinter heet dat zeer lezenswaardige boek.

Toch wil ik beweren dat die medaille het ultieme bewijs was van een groot talent en een gedegen voorbereiding. Een starter op dat podium in de luren leggen is ook een talent en alleen met een pikstart was die 36.76 die hij erover deed nooit uit de bus gerold.

Ondanks dat Jan op dat moment nog maar 24 jaar was, leek hij al een eeuwigheid in de kernploeg te zitten, daarbij vooral zijn trainers (Henk Boer, Jorrit Jorritsma, Gauke Nijholt en Henk Gemser) tot wanhoop drijvende. Mijn loopbaan liep ongeveer gelijk met die van hem. Samen werden we in 1980 uit jong oranje overgeheveld naar de kernploeg sprint en ten tijde van Calgary zaten we daar nog steeds. Ondanks dat Jan bijna drie jaar jonger is, was hij meteen veel sterker dan ik (toch ook niet echt een slappeling). Met zijn kenmerkende rechttoe rechtaan stijl was hij misschien niet de mooiste schaatser, effectief was het wel. Als jonge sprinters gingen we samen in de aanval op de gevestigde orde. Kuiper en Ykema; ‘de sprinthoop in bange dagen’. En als komisch duo, waarbij Jan overduidelijk de komiek was en ik de aangever hadden we ook aardig talent. Een talent dat misschien het talent voor schaatsen niet altijd ten goede kwam.

Als kamergenoten pasten we prima bij elkaar, maar misschien had een trainer ons sporttechnisch gezien beter uit elkaar kunnen halen. De tomeloze energie die Jan buiten de trainingen had en op mij overbracht, zorgde dat wij vrijwel nooit genoeg rust pakten. Goed voorbeeld daarvan was de poging tot studeren, waarbij we beide een cursus van LOI hadden aangeschaft. Hij journalistiek en ik economie. Na een kwartiertje studeren riep Jan. ‘We gaan toch niet duf zitten studeren terwijl er buiten van alles te beleven valt’. ‘Kom op we gaan’. Ik stribbelde nog even tegen en liet vervolgens de economie voor wat het was. We waren op trainingskamp in Inzell en gingen naar de plaatselijke kroeg. Daar dronken we een paar biertjes en een paar Apfelcorn (iets met appel en alcohol) en waren heus niet laat weer terug. We waren het er grondig over eens dat dit veel meer ontspanning had opgeleverd dan een avond op de kamer in de studieboeken. De KNSB had via maatschappelijke begeleiding meebetaald aan die studies dus werden onze vorderingen nog eens gevraagd. Ik had thuis nog een paar hoofdstukken opgestuurd en Jan had thuis een paar artikelen geproduceerd, maar daar was het bij gebleven. Daarom zeiden we dat de studie toch iets te hoog gegrepen was voor ons.

Overal ter wereld had onze kamer dezelfde indeling, een bed voor beiden, een stapel kleren voor beiden, een tafeltje met een stapeltje kaarten. Binnengekomen leek dat voor een buitenstaander op een enorme bende, maar wij wisten altijd onze spullen feilloos te vinden. Ooit deelde ik een kamer met een andere ploeggenoot, Ron Ket  die alles netjes opvouwde en op stapeltjes in de kast legde. Hoewel ik dit voorbeeld volgde en ik enorm voldaan de kamer binnen kon wandelen, was ik regelmatig dingen kwijt. Als ik in de huidige tijd ergens jaloers op zou zijn dan is het op het feit dat de sporters nu vaak een eigen kamer hebben, al staat daar tegenover de lach en de gezelligheid die het samenzijn meestal opleverde.

Ondertussen ontwikkelde de carrière van Jan zich niet al te rooskleurig. De jonge blufgozer van weleer, die de junioren wereldrecords 500 en 1000m had gereden en de jongste Nederlands kampioen sprint ooit was geworden (en nog steeds is). Hij leerde wat verliezen was. De buitenlandse, met name Japanse, Russische en Amerikaanse elite was veel beter. Ykema begon naast zijn guitige Pietje Bell imago een onvervalste brokkenpiloot te worden. Henk Gemser besloot daarop zijn techniek aan te pakken. Een heel schaatsjaar zou Jan daaraan op moeten offeren. Geen druk op de prestaties. Helemaal aan de basis van de beweging. Uiteraard vergat Jan die opdracht al meteen de eerste wedstrijden weer. Want het nonchalante anti trainingsbeest had wel een ijzeren wil om de beste te zijn in wedstrijden. In trainingen trouwens ook, maar alleen daar waar hij kon winnen, anders dan interesseerde het hem zogenaamd niet. In zijn ‘nieuwe’ techniek viel hij drie duizend meters op rij en mistte daarop, zoals door Gemser gepland het WK sprint van 1985 in Heerenveen. Jan vond dat vreselijk. Na dit seizoen volgden jaren waarin het technisch aardig oogde maar de resultaten er niet beter op werden. In 1986 viel hij op het WK sprint en in 1987 werd hij hopeloos schaatsend 18e. De schaatsbond twijfelde aan een verlenging van het kernploegschap. Naast de matige prestaties, waren er akkefietjes buiten de baan. Hij kreeg bijvoorbeeld een schorsing die hem van april tot juli (!)verbood om schaatswedstrijden te rijden, na een botsing met de KNSB. De Duitse politie gooide hem in een cel toen hij met een paar jonge Amerikanen baldadig was geweest iJan Ykeman Traunstein.

Met de komst van een aparte sprintploeg olv Eppie Bleeker werd Jan ‘verlost’ van Gemser. De man die de credits verdiend voor met name zijn geduld en techniekinvesteringen. De grootste verandering zat hem in Ykema’s eigen instelling. Ergens had hij een knop omgedraaid, waarin hij dit Olympisch seizoen zou aangrijpen om iets van zijn enorme talent te laten zien. Hij kwam na het  schaatsseizoen niet de gebruikelijke acht kilo aan. Was meteen bereid om veel en vaak te trainen. De hele zomer kwam hij trouw en gretig uit Harlingen naar mijn thuis om te gaan skeeleren op de A32, die aan het eind van de zomer moest worden opgeleverd. Dat alles werd vertaald in aardige resultaten in het voorseizoen, waarbij hij aantoonde dat die medaille helemaal niet zo ver bij hem vandaan lag. Eenmaal in de Olympisch ploeg werd hem de eer als vlaggendrager gegund. Trots voerde hij de equipe aan, waarin ik overigens door een onbegrijpelijk ‘flut’seizoen ontbrak. Een paar dagen later kwam het hoogtepunt in de vorm van zilver in een rit waaraan alles klopte. Alleen de Oost Duitser Jens Uwe Mey is sneller op het ijs in de Oval waar vele sprinters worden verrast door de snelheden die ze bereiken. Later worden er mede daarom twee heats gehouden over 500m.

Jan levert een echt huzarenstukje zoals je ze alleen in de euforie van een Olympische spelen tegenkomt. Met dit resultaat dacht ik dat goud voor Ykema op de 1000m haalbaar zou zijn, maar daar was er weer een bijna traditionele valpartij. De concentratie was na die zilveren race toch weer anders. Fatalisme zou je dat kunnen noemen; de mens heeft geen invloed op zijn lot. Bepaalde kenmerken van de sporter Ykema maken het bijna logisch dat hij later als verslaafde, in het leven van een junk zou terecht komen. Maar ook dat hij zich daaruit terug heeft kunnen vechten. Tegenwoordig komen we elkaar weer tegen op de ijsbaan, met wederzijds respect en genegenheid. Jan Ykema, ik zou een boek over hem kunnen schrijven, maar dat is er al.