Column Frank Fiers:

Elk jaar weer begint het in de maand juli te kriebelen. Het EK komt er dan immers aan. Heel veel vragen borrelen spontaan op in de laatste dagen als je naar een kampioenschap toewerkt, zeker als jongere: Zal de conditiepiek stipt volgens de planning “aanwezig zijn”? Zal die conditiepiek ervoor zorgen dat de benen doen wat het kopje wil dat ze doen? Hoe zit het met de concurrentie? Wat voor parcours gaat het zijn? Wat zeggen de weersvoorspellingen? Wat met de finale-, avondwedstrijden voor een groot publiek? Of reeksen in de vroege ochtend waar weinig publiek komt naar kijken?

Mijn eerste ervaring met deze ‘kriebels’ was in 1987, op de Europese jeugd kampioenschappen in La Roche sur Yon, Frankrijk. In die tijd was er enkel een jeugd EK (voor -16 jarigen) en een senioren EK. Hierdoor kon er makkelijk een aantal jaren tussen een EK deelname bij de jeugd en een EK deelname bij de senioren zitten. En er was al helemaal geen WK voor de jeugd. Mijn 2de EK deelname was dus onmiddellijk bij de senioren en dus ook flink wat jaren later, in 1993.

Nadien werden er ook voor junioren Europese- en Wereldkampioenschappen ingevoerd. Daardoor kreeg de jeugd meer kansen om ervaring op te doen vooraleer ze bij de senioren aan de bak moeten. Zo als bij alles in het leven heeft dit absolute voordeel mijns inzien echter ook een aantal mindere kantjes.

Sommige inline skaters hebben namelijk voordat ze écht moeten presteren (bij de senioren) al zoveel stress & zware trainingen doorspartelt dat ze wat opgebrand zijn na 4 tot 5 jaar deelname aan alle jeugdkampioenschappen. Bij sommigen is er zelfs al sprake van ‘verzadiging’ nog voor ze één seniorenkampioenschap gereden hebben.

Daarnaast zijn de jeugdkampioenschappen voor een aantal skeelerlanden budgettair een probleem, waardoor niet alle jongeren in Europa de kans krijgen deel te nemen aan alle grote kampioenschappen.

Toch blijf ik voorstander: mits een goede begeleiding zijn deze toernooien een super leerschool om als jongere uit te groeien tot een topper. En kunnen ze op hun eerste senioren EK al bijna als ervaren rotten aan de start verschijnen.

Even flash- backen nu: mijn eerste en enige jeugd EK werd niet echt een succes. 1987 was het jaar waarin de Europese bond, CERS, de reglementen had gewijzigd. Selecties werden na wijziging van het reglement gebaseerd op het geboortejaar en niet naar de geboortedag. De Belgische bond had dat over het hoofd gezien waardoor Rudi Everaerts en ik de avond voor onze eerste wedstrijd te horen kregen dat we niet mochten starten omdat we “te oud” waren. Stel je voor! Voor wie er mocht aan twijfelen… dit is jammer genoeg geen grapje of flauwe Belgenmop. 1987 was vóór het internet en GSM tijdperk, er bestond toen zelfs nog geen fax. Alles gebeurde per briefwisseling en blijkbaar ging er toen ook al eens een brief ‘verloren’. Tsjaah… daar was ik dan vol ambitie op mijn eerste EK.

De jonge Belg Nico Briffaerts was toen samen met de Fransman Arnaud Gicquel de ster van het kampioenschap. Gicquel op de fondnummers, Briffaerts op de sprint afstanden. Op het eind van het kampioenschap besloot Nico om voor de ‘lol’ deel te nemen aan de langste afstand, de 10.000m (piste). Er waren immers 2 plekken vrij! Remember! Als pure 300m en 500m sprinter had hij nog nooit zo een afstand gereden. Nico bolde de ganse wedstrijd in het peloton mee. In een prachtige sprint pakte hij tot ieders verbazing de fondtitel voor -16 jarigen voor de neus van de Italiaan Armando Capannolo en de Fransman Mickael Bolivard. Zo kroonde hij zich tot koning van het jeugd- EK 1987.

Zowel Briffaerts, Capannolo, Bolivard en uiteraard Gicquel werden wereldtoppers. Dus met of zonder junioren kampioenschappen blijft het jeugd- EK een vrij zekere barometer voor de toekomst!