Column Reeks Man op de Baan Geert Kuiper:

Het was al februari, we schrijven 1991. De winter was zacht verlopen en het was  al weer een aantal jaren geleden dat de winter Nederland had overspoeld. Men sprak over het broeikaseffect, het verwarmen van de temperatuur van het zeewater en de wind kwam ook steeds maar uit de verkeerde hoek. Nee de laatste Elfstedentocht was geweest. We zouden een subtropisch klimaat tegemoet gaan. Maar net toen de sneeuwklokjes en de narcissen hoogmoedig hun kopjes uit de grond staken, daalde het kwik in de thermometer en ging menig natuurijshart sneller kloppen.

Ongenadig koud was het. Vooral de wind uit het oosten waaide overal doorheen. De gevoelstemperatuur was zeker -20. Op woensdag 6 februari werd het Fries kampioenschap marathon gereden op de ijsbaan van Steggerda. Daar gebruikten ze warm water van de aanliggende melkfabriek en was het prachtig ijs. Toch vroor het zo hard dat de baan aan alle kanten openbarstte, met allerlei scheuren al gevolg. Met Haico Bouma, Yep Kramer en Jan Eise Kromkamp streed ik daar om de titel. Op een gegeven moment waren we allemaal uit elkaar geslagen, achter elkaar aan het rijden. Haico voorop, Yep daarachter en ik volgde als derde. In die volgorde kwamen we uiteindelijk ook doodop over de finish. Op zich niet vermeldenswaardig ware het niet dat de volgende dag het Nederlands kampioenschap op het schema stond en de Friezen hadden hun krachten al verspeeld.

Ik kan natuurlijk alleen voor mezelf spreken maar ik kwam al behoorlijk uitgeput aan in Ankeveen. De mooie plassen waren het decor van het kampioenschap. Een kleumend stelletje stond daar in de vroege ochtend klaar voor 100 uitputtende kilometers. De oostenwind blies door de dunne schaatspakken. Met zeemleer aan de onderpakken en vaseline op de gezichten werd nog aan bescherming gedaan. Menigeen had hoezen over de schaatsen of de voorkant van de schoen afgeplakt. Er lagen 25 ronden van 4 kilometer voor de schaatsen.

In het eerste rondje waren al heel wat rijders gevallen, er zaten slecht stukken in het parkoers. De mannen zouden hier van de jongens worden gescheiden. Iedereen verwachtte dat degene die aan het eind nog krachten zou hebben een grote slag zou kunnen slaan.

Op het grote meer lag het beste ijs, bovendien was daar de wind in de rug. Na de eerste aftastende ronde, was er een versnelling van Dries van Wijhe. Dolle Dries werd hij genoemd, naar zijn aanvallende karakter waarmee hij zowel op de fiets als op de schaats zijn tegenstanders geselde. Maar Dries was inmiddels 45 jaar en op de kunstijswedstrijden had hij het hoge tempo niet meer kunnen volgen. Hij had besloten voortaan maar bij de veteranen mee te doen. Maar op natuurijs wilde hij zich nog eenmaal van voren laten zien. Op het grote meer gooide hij zijn armen op karakteristieke wijze los en reed een moorddadig tempo.

De grote ploeg va het marathonschaatsen, zeg maar de BAM van de jaren negentig was Kleck’s pastics. Met Yep Kramer en Richard van Kempen hadden ze twee veelwinnaars. Lex Casemier en Arnold Stam waren de tempobeulen die zorgden dat de kopmannen altijd in de finale vooraan mee konden strijden. Dries reed met de w van Wehkamp op de armen maar in een ander pak. Hij stond zeg maar niet in de basisopstelling van vier, maar reed in het schaduwteam met Sanders Meubelstad op het pak.  Ik reed voor de Aegonploeg en onze kopman was Lammert Huitema. Mijn taak was om met de eerste vluchtgroep mee te zitten, zodat onze ploeg niet in de achtervolging krachten hoefde te verspelen.

Het was daarom dat ik mijn (vermoeide) lijf instrueerde om met Dolle Dries mee te gaan. Op het mooie ijs op het meer reed ik met grote klappen naar hem toe, het was zo’n vijfhonderd meter en daar voelde ik me prettig bij. In de vaart sloten er nog vier rijders aan Henk van Benthem , Fausto de Mareiros, Gerhard Heidema en als laatste Robert Vunderink.

Geen mannen van Kleck’s dus en dat was meestal geen goed teken voor een ontsnapping. Van Wijhe had een ploeggenoot in de vorm van Vunderink, die wel in het blauwe pak van Wehkamp reed. Henk van Benthem reed voor Siebrand een andere grote ploeg, met broer Evert, Piet Kleine en Jan Eise Kromkamp. Zij hadden veel belang bij de ontsnapping. Ik beperkte me tot meerijden, al kon ik weinig meer. Alleen op het grote meer lieten ze mij graag de kop want daar ging ik met mijn techniek als een speer.

De voorsprong werd serieus toen het verschil met het peloton op was gelopen naar een minuut. Mijn benen kregen moeite met de verbazingwekkende snelheid die dolle Dries ons oplegde. Mede uit vermoeidheid verboog ik mijn linkerschaats in een van de vele scheuren. De schaats wilde niet meer sturen, zoals ik dat wilde. Bij de volgende doorkomst op het meer kon ik nog amper de kopgroep volgen, terwijl ik een ronde daarvoor nog op kop had gereden. In de vaart was het vervolgens over. Ik was stuk gereden. Ik deed nog een poging om de schaats weer in een scheur bij te buigen terwijl ik wachtte op het peloton. Ik sloot  aan maar kwam vrij snel ten val, waarbij al mijn lucht uit mijn longen werd geperst. Genoeg geleden, mijn wedstrijd was voorbij.

Dolle Dries ondertussen, had wel een heel speciale dag. Je zou bijna wedden dat hij een heel bijzondere bonensoep voor de wedstrijd had gegeten. Een voor een werd de hele kopgroep uit het wiel gereden. De laatste dertig kilometer reed hij solo. Scheuren waren er niet voor hem, hij reed een topsnelheid als een sprinter en was ook nog eens per ronde niet minder aan het worden, eerder beter.

Hij was voor de wedstrijd, zoals altijd om een mooie quote gevraagd. ‘Ik hoop dat die jonge jongens er een mooie wedstrijd van maken’, had ie gezegd. ‘Zelf zal ik wel niet in beeld komen’. Niets is minder waar. Het wordt de grote Dries van Wijhe show. Nergens komt er nog iemand in de buurt en in 2uur en 36 minuten komt hij over de finish. Ondanks de kou heeft hij zonder bril of colletje gereden en oogt nog fris. Zijn enorme kin steekt hij fier naar voren en hij heeft alle tijd om de toejuichingen van het toegestroomde publiek in ontvangst te nemen.

Het laatste kunstje van opa. Na vandaag kan hij gerust met pensioen. Dat blijkt in de week erna als er nog veel wedstrijden op natuurijs zijn en hij het overlaat aan zijn opvolgers.

Na afloop geniet hij van de aandacht. Hij steekt een sigaartje op en drinkt een borrel. Het goede leven, volgens Dries. Het karaktermens dat zo diep kon gaan .

Ik mocht het twee keer van dichtbij meemaken. Op het NK kunstijs in 1989, toen hij in Assen over onvermoeibare krachten beschikte en van heel dichtbij in Ankeveen. De marathonwereld van  nu is een andere. De toprijders zijn talrijker en meer aan elkaar gewaagd. Het blijft een nostalgische gedachte, een bikkel die iedereen zijn wil op kan leggen. Maar wie weet komt er nog eens zo’n dag, er is tenminste nog altijd natuurijs in Nederland in tegenspraak met alle verwachtingen in 1991.