Column Roy Boeve:

Zie hem daar staan. Hij heeft gewonnen, is de beste. Onoverwinnelijk was hij vandaag, het antoniem van verliezen. Jarenlang trainde hij. Wind, zon en regen trotseerde hij alle dagen van de kalender. Velen lachten hem uit, maakten grappen over zijn ideaal, waren verbaad. Met het hoofd schuddend van ongeloof spraken ze tot elkaar. Kijk die dwaas weer gaan. Ongeloof. Maar ongeloof was iets wat hij zelf niet kende. Ongeloof was een mythe, ongeloof was  geen optie.

Kijk hem gaan die dwaas met zijn idealen, doorzettingsvermogen en geloof. Geloof in wat? Geloof is toch een ander woord voor zelfbedrog? Hij wist het zeker. Ooit ging hij winnen, ooit zou hij succes hebben, ooit zou hij diegene zijn die in het middelpunt zou staan. Mensen zouden hem liefhebben en waarderen, hij zou diegene zijn waarvan men zou zeggen; ‘hij is de beste’. Hij zou hen laten zien wat hij kan. Alle dagen van de kalender visualiseerde hij zich dit. Maar het was slechts een geloof en wat is een geloof?

Geloof is een vorm van zelfbedrog. Het is datgene dat je niet zeker weet, niet kan bewijzen. Iets wat boven het verstandelijke ligt. Toch geloofde hii, tegen al het redelijke in.Tegen alles in wat hij verstandelijk kon beredeneren. Voor hen die hem langs zagen komen was het duidelijk. Deze jonge was te stijf voor een sporter, te lomp voor een sporter. Gewogen en te licht bevonden. Het deerde hem niet want hij had het geloof, dag in dag uit.

Nu had hij gewonnen, nu was het moment daar, nu kon hij lachen, nu kon hij zijn hoofd schudden, nu kon hij grappen maken, want hij had gewonnen. Hij was de beste, de winnaar. Hij was diegene die hij was tijdens zijn visualisaties in de trainingen. Duizenden malen had hij het zich gevisualiseerd en duizenden malen was hij bedrogen. Immers, hij verloor vaker dan dat hij won. Duizenden malen werd hij het antoniem van wat hij wilde. Winnaar, visualiseerde hij zich, verliezer was wat hij vaak werd. Teleurgesteld was hij, keer op keer. Want hij had verloren, was bedrogen, was onrecht aangedaan. Maar deze keer niet, deze keer was het anders en werd hij die hij wilde zijn. Winnaar. Nu was hij diegene die kon lachen. Iedereen was blij met hem, iedereen kende hem of kende wel iemand die hem goed kende. Iedereen had het altijd al gezegd. Een groot talent, de ideale sporter. Zijn lichaamsbouw was zoals God het bedoelt moest hebben toen hij de sporter schiep. Zijn vaardigheden waren exceptioneel, hij was het helemaal. Daar stond hij op het podium, een grijns van oor tot oor, een beker in zijn linkerhand en bloemen met prachtige kleuren in zijn rechter.

Op de hoogste tree stond hij als winnaar en zag al die mensen die hem altijd beneden, maar vandaag plots aanbeden. Hij staarde over de massa heen. Als de mensen die daar stonden feest te vieren ook maar eens konden bevroeden wat er nu in zijn gedachten omging. Waren zij het niet die hem de dwaas noemden? Waren zij het niet die hem die mislukkeling noemden en waren zij het niet die hem al die jaren het succes hadden misgund? Jarenlang trainen, afzien, geloven en datgene doen waarvan zij zeiden; ‘kijk die sukkel, die arme ziel.’ Was dit de prijs die hij kreeg voor zijn doorzettingsvermogen, zijn idealisme, zijn geloof? De lof en aanbeding van juist die armgeestige mensen? Want morgen zouden zij hier weer staan, ook dan maken zij groot feest en zingen zij lofliederen. Maar dan voor een andere idealist, een andere dwaas, een andere uitslover. Morgen, als er weer een nieuwe wedstrijd gehouden wordt, is hij weer gewoon Wie hij was de dag voor deze dag.

Kijk hem daar staan, de winnaar. Weer voelde hij zich bedrogen. Het enige dat deze ongelovige ziel zich nog kon bedenken was  Mattheüs 5:3 ‘Zalig zijn de armen der geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.’ Weer was hij bedrogen, zijn geloof bleek zelfbedrog te zijn. Een illusie. .